homepage -
beleid -
cultuur -
historie van overijssel -
overzicht regio's en gemeenten -
geschiedvertelling per gemeente -
almelo Geschiedenis van AlmeloDe naam betekent waarschijnlijk “Olmenbos”. Almelo wordt in 1157 voor het eerst genoemd als de bisschoppelijke dienstman Everhard van Almelo getuige is bij een rechtshandeling met betrekking tot Warnsveld. De plaats Almelo wordt in 1206 voor het eerst genoemd.
In 1236 geeft de bisschop aan de heer van Almelo toestemming in het dorp Almelo een kerk op te richten, waarin gedoopt en waarbij begraven mag worden. De band met de kerk van Ootmarsum, waartoe Almelo voordien behoorde, blijft echter bestaan. In de loop van de dertiende eeuw is de plaats bij het kasteel van de heren van Almelo uitgegroeid tot een plaats van enige betekenis. Maar een stad kon het niet worden, want de hoge jurisdictie over de stad berustte bij de heer van Almelo, die niet bevoegd was stadsrechten te verlenen en de bisschop, die wel bevoegd was, piekerde er niet over aan de plaats Almelo stadsrecht te verlenen, zolang hij daar geen zeggenschap had. In deze patstelling groeide Almelo gewoon door en was er in 1333 voor het eerst sprake van schepenen van Almelo. Schepenen horen bij een stadsbestuur, schepenen komen op het platteland niet voor. Feitelijk is Almelo tot stad uitgegroeid ! Dat wordt in 1346 bevestigd door de bisschoppelijke toestemming aan de heer van Almelo tot het houden van twee jaarmarkten. Weliswaar is er in dit privilege nog sprake van het dorp Almelo, maar jaarmarkten in een onbeschermde dorpsomgeving waren tot mislukken gedoemd. Inderdaad blijkt er in 1404 een poort te zijn, dus op zijn minst ook een omwalling. Door het huwelijk van de erfdochter Bate van Almelo met Evert van Heeckeren in 1364 kwam de heerlijkheid Almelo aan dat geslacht, dat later Van Rechteren ging heten. In 1705 werd de familie Van Rechteren opgenomen in de rijksgravenstand.
___ | |